GTM-NPSWC72 google48f7cec807687bc9.html

Paternoster, breidorpie aan die weskus se see

Er zijn plekken die alles hebben: zee, bergen, feesten, mooie architectuur, wereldwonderen, maar er zijn ook plaatsjes die niet zo veel nodig hebben om als paradijs door te kunnen gaan. Een gastvrije gastvrouw en -heer, een caravan, een sterrenhemel, een volksbuurtje aan zee en voor de rest niet zoveel. Behalve het gevoel dat elke actie die je onderneemt je het gevoel geeft goed te zijn, het uiterste uit je dag te halen, van het stappen in een hangmat tot het vissen met kleurlingen. Ik wilde er gewoon naartoe. Niet dat het dit keer de naam was, Paternoster, hoewel deze niet onaardig is, maar het gevoel. Er staat geen backpackers in de reisgids vermeld, er is geen Bazbusstop en ligt niet eens op het Bazbustraject, iedereen die ik spreek heeft geen idee waar en waarom ik er naartoe ga, laat staan dat ze er weleens zijn geweest. Heerlijk onbekend terrein dus, mijn terrein. Het busje van Vredenburg naar ’Onze Vader’ zit helemaal vol kleurlingen. Deze mensen zijn een mengelmoesvolk van inheemse, blanke en Maleisische afkomst die ooit zijn ontstaan uit VOC-slaven. Volkse moeders met luide stemmen, grote verhalen en de touwtjes in handen in het busje. Mannetjes die een beetje bekneld zitten. Iedereen kent elkaar. Dit zijn, zeg maar, een soort van Zuid-Afrikaanse Surinamers, waartussen ik mij als rasechte Almeerder natuurlijk gelijk thuis voel. ”Koos!” Blèrt een vrouw plotseling uit het raampje, de beursbestuurder doet er wat te lang over. Dit komt omdat Koos aan het verbouwen is en nog wat rollen vloerzeil moest inladen, zijn taxidienst is tevens een bestelbusje voor zichzelf, onderweg wordt dan ook nog even voor een grote pot verf gestopt. Dan hoor ik in het Kleurlingafrikaans dat men hier niet met de ABA-correcte ’rollende-r’ praat, maar dat men ’breit’: een ’r’ achterin de mond. Net als ik, een ’disability’ waar men in Pretoria nogal om moest lachen bij mij, maar hier ben ik dus thuis. Ik vraag voor een overnachtingsplek waarop men zegt: ”Koos, djy moet hom Lisa toe vat! Hy sal daarrhg moet uitklim, dis goeie mense!” Paternoster blijkt een oud vissersdorpje te zijn wat bestaat uit kleine huisje op de kliprug met een backpackershostel hier tussenin. Dit is geweldig. Het lijkt alsof hier nog nooit toeristen zijn geweest, maar later blijkt dat ten noorden en ten zuiden toch al redelijk gebouwd wordt aan witmanshuisjes voor toeristen. De volgende dag is het acht uur ’s ochtends als ik met Lisa, Casper en Jonathan naar het strand loop, vandaag ga ik op kreef vissen. Ja de scherpe lezer kan wel afleiden dat dit in het Nederlands een kreeft is die gevangen gaat worden. Met twee kleurlingen in een klein vissersbootje de zee op. In totaal worden zo’n dertien bootjes in de mistige morgen de zee op geduwd en varen we door de nevel naar de klippe op de punt van de baai waar er gevangen gaat worden. Voor ons: felgekleurde bootjes, net als achter ons, met langzaam het vissersdorpje verdwijnend in de mist. Niks toeristenuitje voor te veel geld! Gewoon lekker mee met wat deze lui voor een bestaan elke dag doen: kreefvang! Zoals men dit vroeger deed doet men dit nu. Paternoster, ontstaan door de zee, een bestaan door het vissen. Hoe oud het plaatsje is? Er wordt mij verteld zo ongeveer 300 jaar, maar niemand weet dat precies natuurlijk. Vroeger, vertelt de oude visser, toen waren er geen teerpaaie, geen elektriciteit, stromend water en was het plaatsje zo klein dat iedereen elkaar in het donker nog kon herkennen. 'Ik reed hier weg over een zandweg en kwam terug over een teerpad', aldus de man van bijna veertig. Het is eeuwenlang zo gegaan, het vissen als bestaan, nu begint daar het toerisme bij te komen, maar de bootjes liggen nog steeds op het strand.

Tussen de klippe aangekomen gaat de Yamaha motor uit, wordt er geroeid en worden vanuit de bootjes zogeheten damsakke in het water gegooid. Een net aan een hoepel met daarin een aassakkie wat met sardyn is gevuld. Door wie? Door Daan. Die vroeger er nog niet aan dacht een vis ook maar aan te raken zat deze dag glibberige doodbevroren visjes uit een krat af te breken om deze in een sakkie te proppen. Ingewanden en bloed en weetikwat eruitspuitend, dan even erin knijpen om het lekker sappig te maken en hoppa! Met damsak overboord.

Het is stil, er zitten vogels op de rotsen, duikers, er zwemt een rob langs ons en na een paar minuten halen we de eerste van vijf netten omhoog. Tataa! Daar komt zowaar een kreeft mee naar boven. De cyclus herhaalt zich een aantal keer en dan mag ik het ook een keer proberen, en jawel, hoppa, twee kreeften. En niet alleen dat, maar ook een vis. Even later nog twee zeeslangen en drie skaamhaaie (“Omdat hy sig rol en dit lyk of hy skaam is.”), krabben en een hoop bamboes (zeeplantgedoe). Van tijd tot tijd wordt de vangst van buurman vissers gepeild en natuurlijk lekker overdreven over de eigen vangst. Totdat er opeens een bootje paniekerig vanuit de mist op ons afkomt, men schreeuwt iets waar ik de ballen van snap. ”Die boere kom! Die boere kom!” Boeren? Vraag ik. Ja dat is de blanke waterpolitie die jacht maakt op keerftvangers die het quotum van 4 kreeften per dag overschrijden. Wij hebben er op het moment 12 en gehaast halen alle kleurlingen hun officiële visboekje uit de binnenzak om datum en vangst in te vullen. Snel wordt naar de klippe geroeid om daar een damsak met kreeft aan een klont bruine bamboes te hangen. De politie kan elk moment uit de dichte mist opduiken, gelukkig is op tijd de vangst verstopt. We zoeken een andere plek en proberen nog wat te vangen, de mist trekt op en we blijken ongelukkig niks meer binnen te krijgen. Dan wordt besloten de vangst op te halen en wordt naar de haven gevaren.

Veilig voor die Boere komen we in Paternoster aan. Ik geef wat geld voor de benzine en krijg twee kreeften die ik zelf heb opgevist mee om ’s avonds te koken. Helaas geen witte (op het strand op te graven) of zwarte (van de klippen te plukken) mosselen voor het zeebanket, het rooity is namelijk ingekomen, een plaatselijke term voor afgestorven plankton wat de boel vergiftigt. Die middag loop ik door het dorpje en wordt overal geroepen, ”Heej djy is die Hollanderrh wat is gaan kreefvang” ”Kom hieso!”, na veel ouwehoeren en als een soort van beroemdheid overal te moeten halthouden kom ik eindelijk bij de supermarkt, eh ik bedoel, superette aan om mijn pap te kopen. ’s Avonds eet ik voor de eerste keer in mijn leven kreeft en tja, ik kan natuurlijk niet zeggen dat wat ik zelf gevangen heb niet lekker is. [if !supportLineBreakNewLine] [endif]Die avond blijkt dat overal een feestje aan de gang is en elk huisje zijn eigen bier per liter verkoopt. Kleurlingen worden poepiedronken en de jeugdigen gaan lekker strak staan van de tuk, wat iets minder is als je weet dat het hier over een soort speed gaat. Maar iedereen is vriendelijk en ik heb een geweldige dag en avond.

Verhalen