GTM-NPSWC72 google48f7cec807687bc9.html
 

De andere kant

Alles wat niet hier is, is wat ze in Zuid-Afrika otherside noemen, de andere kant. Voor ons was dat het afgelopen weekeinde Lesotho. Het is vrijdagmiddag, een dikke vierhonderd kilometer asfalt raast onder ons gehuurde Volkswagenbusje door en aan weerskanten ziet het landschap geel en droog. Glooiend akkerland met hier en daar een plaas (boerderij), om de zoveel kilometer een stel beeste (koeien) en af en toe een verdwaalde tafelberg. We zijn op weg naar een bergachtig staatje in het midden van Zuid-Afrika dat zo’n twee miljoen zielen telt en waarvan het aantal meters geasfalteerde weg op twee handen is te tellen. Een derdewereldland kwadraat, en dus, weer een interessante cultuurervaring.

We komen laat aan en overnachten in een ‘backpackershostel’ dat nog net in Zuid-Afrika ligt, in ons geval een stel hutjes zonder stroom met een reuze goed uitzicht (als het niet allang donker zou zijn en de volgende ochtend niet zo mistig). De wekker gaat om zes uur (!!) en we rijden fris en fruitig naar het basiskamp om een ontbijtje te doen en vervolgens met een stel andere toeristen in twee minibusjes te stappen waarmee twee negers, die zowel bestuurder als gids zijn, ons een cultuurervaring in het onherbergzame Lesotho gaan bezorgen. Het gebied waar we heen gaan is namelijk een ‘remote part of Lesotho’ waar nooit toeristen komen, zo heeft de gekke hippie vrouw met ongewassen haren en gebatikt shirt, ons in ieder geval verteld. We rijden zo’n anderhalf uur en passeren Qwa Qwa, een voormalig thuisland waar een miljoen mensen in hutjes wonen. Ach ja, één miljoen, zomaar ergens in het droge berglandschap, waarom ook niet. Belachelijk natuurlijk, maar zo erg kijk ik er na een bezoek aan Soweto ook niet meer van op, het is gek dat armoede went.

Het landschap wordt onherbergzamer, Lesotho komt dichterbij, zo ook de grenspost van Zuid-Afrika en het moment waarop de bestuurder van het andere busje niet blijkt te weten hoe hij moet schakelen en alle passagiers halsoverkop uit moeten stappen omdat het busje op een steile helling niet vooruit maar achteruit blijkt te gaan rijden. Een toerist heeft toen het stuur voor de rest van de rit maar even over genomen.

Asfalt verdwijnt, klinkers verdwijnen ook, er komen steentjes en zand voor in de plaats. Dan is daar de douanepost bovenop de bergpas naar Lesotho. Allemaal uitstappen en om de beurt een stempeltje laten zetten bij de lachende douanebeambten als je daar zin in hebt. De reis vervolgt, een bocht naar links een bocht naar rechts en dan in een achtbaan naar beneden. Pats boem! Welkom in Lesotho! Pats boem…? Ja, pats boem, dat was de autoband. We stappen uit en geven de twee bestuurders zo’n drie kwartier om er en nieuwe band op te leggen. Het is ook wel een beetje gekkenwerk om hier met twee van die koekblikken tussen en over de rotsblokken door de rauzen. Maar goed, Afrika, Afrika.

Dat Afrika, daar ben ik nu dan echt. De lucht is koud en droog, het ruikt naar berg en het is stil, zo ongelofelijk stil. Bergen rondom, in de verte wat hutjes en daar komen mensen aan. Niet zomaar mensen, maar mensen gewikkeld in een grote doek, met een grote veiligheidsspeld die het bij elkaar houdt. Een wandelstok, rubber kaplaarzen en een soort van onderbroek op het hoofd. Dit zijn inboorlingen. En ik vraag me af of ze zijn ingehuurd of dat ik door het oversteken van die bergpas echt in de middeleeuwen ben terecht gekomen. Een paar kinderen en een enkele jongere slenteren wat achter hun koeien en schapen aan en houden ze bij elkaar door met steentjes op ze te gooien. Als ik antropologie studeerde zou ik studiepunten vragen voor dit veldwerk. Ik staar die jongens een beetje verbaasd aan en groet ze. This is our life zeggen ze, en niet lang daarna worden we om sigaretten gevraagd. Er zitten een paar van die ransbakken in onze toeristengroep en dus, staan niet lang daarna de inboorlingen met een sigaret in de mond. Ze lopen weer verder, en als er een nieuwe band op het busje is gezet rijden wij naar een dorpje om een school te bezichtigen.

De school wordt mede met het geld wat wij voor dit uitstapje betalen bekostigd. We lopen verder achter de gids aan en komen uit op een rotspunt van waaraf we een prachtig uitzicht over het dal hebben. Het dal met ronde hutjes, nergens een auto of landbouwwerktuig, toch wat akkertjes en mensen in doeken die hun vee bijeenhouden. De gids vraagt of we een idée hebben waarom de hutjes hier allemaal rond zijn, wij zeggen het niet te weten. Zijn uitleg is drieledig en slaat totaal nergens op: 1. Het is traditie, 2. Bij ronde huizen kunnen de boze geesten niet om de hoek van de muur schuilen, en 3. Er kan dan niemand achter een hoekje tegen je hutje aan staan te zeiken. Ja, ik bedenk dit echt niet zelf. Die doek is ook traditie, die heeft Queen Victoria ze gegeven toen ze zag dat al die arme zielen het hier zo koud hadden, over de onderbroek en laarzen wordt gezwegen. De gids laat ons een rotsschildering zien die ergens ooit moet hebben gezeten en we lopen weer naar de auto om naar het volgende onderdeel van dit reisje te gaan, ‘het bierdrinken’.

We schudden een paarhonderd meter verder over de steentjes en zien dan aan onze linkerhand dat ‘de vlag’ uithangt bij de plaatselijke bierbrouwhut. Aangezien ‘de vlag’ (een half verscheurde plastic zak aan een kromme stok) geel is, betekent dit dat er ‘ananasbier’ te verkrijgen is. Jummie! Ik ben erg benieuwd en heb wel zin in een biertje, of twee. We stappen uit en krijgen om de beurt een emmer voorgehouden waarin ‘het’ zich bevindt. ‘Het’ laat op slag mijn zin in bier verdwijnen en dat komt omdat ‘het’ er uit ziet als ‘over datum zijnde melk’ en ruikt als ‘de derde dag op Lowlands.’ Natuurlijk neem ik toch een slok en wonder boven wonder, het smaakt naar ananas! Iedereen loopt een beetje rond en ik neem plaats op een bankje naast de plaatselijke dronkaard die tevens de plaatselijke onderwijzer blijkt te zijn. De kerel komt hier meestal in het weekend even langs als hij de vlag ziet uithangen. Een groene betekent trouwens dat er ‘wietbier’ te verkrijgen is, en dit is geen typefout.

We rijden nog even ergens langs om spinazie met pap te eten en dan begint de dag op z’n einde te lopen. Voor vier uur ‘s middags moeten we Lesotho weer uit zijn. Er staan wat kinderen rondom ons busje en sommige mensen van onze toeristengroep beginnen dingen uit hun lunchpakketje uit te delen. Een boterhammetje hier, een snoepje daar, nog een boterham, hoppa een hardgekookt eitje erbij en dan nog zo’n snoepje. Die paar kindertjes rollen straks van de buikpijn over de grond. Als we weer in het busje stappen en weg rijden blijken er onder de toeristen wat wereldverbeteraars te zitten. Ze kijken sneu als ze de kindjes weer moeten achterlaten en zouden ze het liefste allemaal mee willen nemen om de hele dag vol te kunnen stoppen. “Ik heb ze mijn haarband gegeven omdat ze die zo leuk vonden” zegt de ene. De ander heeft de wereld gered door een elastiekje weg te geven en weer een ander zegt tegen de eerste dat ze “die mooie sleutelhanger die ze samen hadden gekocht” ook maar heeft achtergelaten. Ze zijn pas net in Afrika en dit is de eerste ‘armoede’ die ze zien. Deze kindjes hebben het echter tien keer beter dan die dreumesen in Kliptown. Deze mensen hebben een karig bestaan, maar ze kunnen in ieder geval bestaan. Ik vraag me af wat zo’n bergbewonertje in godsnaam aan een sleutelhanger heeft. Er zijn hier geen sleutels. Niet dat ik zo’n ‘poepie’ z’n sleutelhanger niet gun, maar het voelt fout. We komen hier wederom gewoon om apies te kijken. En omdat je blank bent en uit het westen komt lijk (ben) je in dit soort Afrika ineens zo veel meer. Dat hoef ik niet per se te benadrukken.

We rijden nog even ergens langs om spinazie met pap te eten en dan begint de dag op z’n einde te lopen. Voor vier uur ‘s middags moeten we Lesotho weer uit zijn. Er staan wat kinderen rondom ons busje en sommige mensen van onze toeristengroep beginnen dingen uit hun lunchpakketje uit te delen. Een boterhammetje hier, een snoepje daar, nog een boterham, hoppa een hardgekookt eitje erbij en dan nog zo’n snoepje. Die paar kindertjes rollen straks van de buikpijn over de grond. Als we weer in het busje stappen en weg rijden blijken er onder de toeristen wat wereldverbeteraars te zitten. Ze kijken sneu als ze de kindjes weer moeten achterlaten en zouden ze het liefste allemaal mee willen nemen om de hele dag vol te kunnen stoppen. “Ik heb ze mijn haarband gegeven omdat ze die zo leuk vonden” zegt de ene. De ander heeft de wereld gered door een elastiekje weg te geven en weer een ander zegt tegen de eerste dat ze “die mooie sleutelhanger die ze samen hadden gekocht” ook maar heeft achtergelaten. Ze zijn pas net in Afrika en dit is de eerste ‘armoede’ die ze zien. Deze kindjes hebben het echter tien keer beter dan die dreumesen in Kliptown. Deze mensen hebben een karig bestaan, maar ze kunnen in ieder geval bestaan. Ik vraag me af wat zo’n bergbewonertje in godsnaam aan een sleutelhanger heeft. Er zijn hier geen sleutels. Niet dat ik zo’n ‘poepie’ z’n sleutelhanger niet gun, maar het voelt fout. We komen hier wederom gewoon om apies te kijken. En omdat je blank bent en uit het westen komt lijk (ben) je in dit soort Afrika ineens zo veel meer. Dat hoef ik niet per se te benadrukken.

Verhalen