GTM-NPSWC72 google48f7cec807687bc9.html

Twaalf blanken lopen door de Kerkstraat..

En zien vooral geen andere blanken. Dit is het hart van Pretoria, de plek waar de stad is ontstaan. Waar de ‘grote gebouwen’ zich bevinden, de centrale bank, het stadhuis, paleis van justitie, het oudste café en Paul Kruger’s standbeeld. (Stephanus Johannes Paul Kruger: invloedrijke boerenleider tegen de Britten en president van de Zuid-Afrikaanse Republiek 1880-1899). Zijn huis staat even verderop in de Kerkstraat. Iemand die hier twintig jaar geleden was langsgelopen had waarschijnlijk moeite moeten doen een paar zwarten te zien. Nu worden wij soms erg gek aangekeken, of denken we dat maar? Witte Zuid-Afrikanen gaan niet naar het centrum. Die blijven in hun ‘witte’ woonwijk, hun Hatfield, gaan uit op het Hatfieldplein en sluiten zich op in hun woonkastelen. Ze nemen geen minibusjes, lopen niet meer over straat dan nodig is en peinzen er niet over in een normale stadsbus te stappen. Het hart van de stad is een beetje vervallen, hoewel de altijd schijnende zon dit enigszins verdoezelt. Het voelt een beetje vreemd om hier te lopen. We komen vanaf ‘die Uniegebou’, het parlementsgebouw van Zuid-Afrika gelegen op de Meintjieskop. Hier zetelt de regering. Onder aan de Meintjieskop loopt de Kerkstraat, die de hele stad doorsnijdt. We volgen deze weg, steken enkele straten over zoals de Beatrixstraat en komen dan uit bij het al eerder genoemde hart van de stad: het Kerkplein. Hier staat de oude baas, lelijke Kruger op een voetstuk nors voor zich uit te staren. Iemand kijkt wel erg aandachtig naar mijn camera als ik een foto maak. We lopen verder en gaan zitten bij het oudste café van de stad. Café Riche (1905). Ik bestel een yskoffie en laat het even rustig op me inwerken. Eergisteren, vrijdagavond, Hatfield plein. Het is de vijfde avond op rij dat onze uitwisselingsstudentengroep hier uitgaat. We ontmoeten Dewald, een oerechte Afrikaner. Ik vraag hem waarom ‘al die Afrikaners so groot is.’ Je ziet ze lopen op het plein. Van kort tot lang, het zijn allemaal beren. Rommelig haar, rugbyshirts, boerenkoppen en geen nek. ‘Ons is plaaskinder.’ zegt Dewald. Afrikaners zijn boerenkinderen (of in ieder geval afstammelingen daarvan) die hard moeten werken op het land en houden van een partijtje knokken onderling. In teamverband heet dat rugby. En ze houden daar allemaal zo van dat ze er allemaal hetzelfde uit zien. Best grappig. Gezellig is het zeker hoor, dat Afrikanergebeuren. Ik begin de taal al aardig onder de knie te krijgen en ook het ‘braaien’ gaat prima. We zuipen vrolijk door en genieten van de Afrikanermusiek van hier wereldberoemde artiesten zoals ‘Bok van Blerk’ en ‘Nicolas Louw’. De eerste cd’s hiervan zijn al aangeschaft en schallen elke morgen over de veranda van onze villa. ‘Wat maak ons?’ vraagt Dewald. Wij, Nederlanders midden in het Afrikaner integratieproces, kijken elkaar vragend aan. ‘Ons kuier!’ buldert de Afrikaner. Wij feesten. En dat doen we zeker. Maar toch, ik vraag me af waar alle zwarte mensen uithangen. Niet op het Hatfieldplein, dat is Afrikanergebied, of naja in het Newscafe zijn er wel wat te vinden. Een kroeg met vooral zwarten in een voor de rest blank gebied. Nog steeds een soort van segregatie. Afrikaners zijn bang, ookwel ‘fokking paranoia’ genoemd. Ze gaan niet om met zwarten. En die onwetendheid maakt bevreesd. Maar wij zijn internationale studenten en die stappen wel in minibusjes, lopen wel door zwarte wijken en zullen ook zeker nog naar een zwart uitgaansgebied gaan. Geen probleem nie!

Verhalen