GTM-NPSWC72 google48f7cec807687bc9.html
 

Een andere dag in Paternoster

En als ik terugloop raast de noordwester weer door mijn haar. Alle gedachten vervagend, zoals de levens van de mensen, de personen, gestorvenen. Een houten kruis zonder dwarsbalk, zeg maar een stok. Een stenen kruis zonder opschrift. Een ommuurd graf met de inscriptie died 1974. Hoe oud is het dorpje, hoe oud is de begraafplaats? Waarschijnlijk zal niemand het zeker weten. De zon schijnt zoals gewoonlijk fel, de ochtend al enige uren begonnen. Als een Cees Nooteboom, of wellicht beter gezegd, een slap aftreksel, loop ik tussen graven door waar ze te zijn herkennen en over graven waarvan ik niet weet. ”Die bome groei groot.” zei de man die me de weg wees. Op de vraag ”Hoe gaan dit, pa?” (Afrikaners zeggen oom) klinkt het meestal ”Altyd allright.” of ”Ons gaan maar aan.” En zo gaat het al jaren, ons gaan maar aan, al eeuwen. Eeuwen van leven, eeuwen van sterven en van visvang wat bleef. Tot sinds enige jaren de toeristen komen. De plek groeit en verandert. Het leven gaat aan maar anders, sneller, veranderend. Voor deze begraafplaats zal dit geen verandering brengen, mensen worden nu aan de rand van het dorp neergelegd, richting binnenland. Misschien als ode, als met het gezicht naar de levensbron die van de oude zee naar de binnenlanden verplaatst. Daar waar de toeristen vandaan komen en in steeds grotere mate het geld. Toch zal de begraafplaats net ’n plek van hierdie kleurlinggemeenskap bly waarvan de huisjes niet driekwart jaar van leegstaan. Hoogstappend baan ik me een weg door het struikgewas, van tijd tot tijd mijn slippers leegschoppend van doornen en schelpjes. In de struiken ritselt wat, dit keer geen hagedis; een kat springt op, snelt behendig door de takken heen, ontwijkt de doornen en moet dan twee keer springen om over het witte muurtje van het kerkhof heen te komen. De zee golft, een meeuw vliegt op en in de vakantiehuisjes die met hun veranda’s bijna de begraafplaatsmuren raken klinkt het geluid van het afruimen van de ontbijttafel. Na niet al te lang zal deze plek waarschijnlijk helemaal zijn omsloten door huisjes, die het zicht van de graven op zee ontnemen. Tijden veranderen zoals de houten kruizen bewijzen. Tijden veranderen zoals de struiken groeien op de meeste graven zoals die zijn aangegeven met een simpele inscriptieloze klip. Waarom geen inscriptie denk ik, waarom een houten kruis met inscriptie. Dit verweert toch allemaal zo snel, laat de begraafplaatselijke herinnering aan personen toch gauw vervagen? Maar misschien is dat ook wel mooi, dat het vanzelf gaat. Wie heeft er wat aan als een groots mausoleum wordt opgericht wat eeuwen van tijd doorstaat? Paternoster is een simpel vissersdorpje waar het leven doorgaat en de herinnering aan mensen voortleeft in de gedachten van nabestaanden, totdat deze herinnering is verdwenen door het verdwijnen van nabestaanden. ’Ons gaan maar aan.’ Wanneer ik naar een graf in de hoek loop blaft een hond dat ik te dicht bij het vakantiehuisje van zijn baas kom. En ik draai maar om. Zie weer een poes en denk aan, afscheid in Pretoria. ”Dalk sien ons eendag weer, or maybe in another life, when we are cats.”

Verhalen